donderdag 19 maart 2026

Hairgrip

 Hairgrip.

“In je mond”, en hij loopt met zijn handen langzaam over haar achterhoofd naar haar nek waar hij zijn grip verstevigd en zelf haar haren aantrekt met zijn eikel tussen haar gestifte lippen. Ook haar handen zijn gemanicuurd met een Chanel -rouge noir, de nagelvorm in een gave boog. 

Ze probeert hem aan te kijken met een onderzoekende blik zijn vingers verstrengelen door haar losgevallen haren hij houdt haar hoofd achterover geheld. Opkijkend met grote Bambi -ogen liefkoost ze de binnenkant van zijn dijen. Zij zit op een verplaatsbare leren kruk, hij op het bed. Naast het bed zit een man, zijn schouderpartij gewelfd, de benen nonchalant uit elkaar. Hij is adembenemend mooi. Zijn broer kijkt zijdelings naar haar ontblote lijf. Hij zit in gedachten verzonken, gebeiteld als in een filosofische houding. 


Ze steekt haar tong uitdagend uit en laat zijn eikel heen en weer in haar mond glijden. Hij komt iets dichter staan met zijn buik tegen haar aan en je ziet een verzorgde mannenhand met vier vingers en een duim die zijn paars aangelopen penis omknellen en dieper haar opengevallen mond binnen schuift.


The Waterfall.

Hij duwt een haarstreng weg tussen duim en wijsvinger en laat haar bekomen van zijn ejaculatie.

 “ Ik ken jou “.


De bedachtzame man wenkt haar op zijn schoot, komt uit zijn denkende houding van langs achteren staand plaatst hij zijn gespierde armen onder haar okselpitten en tilt haar op zijn lid.

Soepel klikt ze op hem in, langzaam helt haar rug naar achteren naarmate ze zich laat zakken. Ze blijft achterover wegzakken, als een rivier zo lenig, hij vindt haar voeten om steun te bieden bij het hele proces.  De andere man tilt haar hoofd op een van het hotelbed gegrist kussen. Hij vingert ook glijmiddel in haar vulva. 

Valentijn houdt haar blanke borsten stevig vast en kneedt er teder in. Hij lijkt terug te veranderen in zijn filosofische houding. De dame in qwestie begint een conversatie tegen de ander. Haast compleet verdwenen is ze in het neerstortend water dat uiteen spat op de kruk. Haar huid glanst van de inspanning. Een geworden met de vrouw en het stoten in haar komt Valentijn brullend klaar. 


Hairgrip–KNM_24126

woensdag 4 maart 2026

4326

Marionet 1.

Gelet op de genenprints

en dat van de voorbijganger soeverein,

houvast vindend bovenwinds,

de lezer die boeken leent op mocassin.

Voor waarheid en moraliteit

in zalen die men ‘Vis’ noemt,

die man is dubbelgebeid, 

voorlopig uitgezoomd.

De ramen hadden toen geen gordijnen, 

ze wisten niet beter, 

aan het raam had ik enkel jasmijnen 

appartementenblokken voor Peter. 

Eens aangekomen bij de kruishouten brug,

raakt mijn ruggengraat in touwen, recht ik mijn rug.  


Marionet 2.


Een frisse strakke noordwestenwind

waait door de smidse; de bonte wilg, 

beweegt, hortensia briest purperrood gezind 

het lijkt wel pruimenpaars of gewillig.

Ik word geboden een miljoen in geld, 

voor het zelf maken relatiebreuk lied van het jaar. 

t’Is gebeurd terwijl een schubreptiel vervelt,

het legitiem maken van ongevaar.

Het edele dier met hoef springt over de reling, 

zijn poel van fouten tegemoet, 

Het edele dier met hoef springt overboord,
het laat de reling staan en kiest zijn eigen weg.
Het zoekt de poel van fout die eens zijn spiegel was,
en daalt met open oog in zelfgeschapen nat.

Men zegt dat verveling hem lang gekerkerd hield,
dat stilstand hem verkrampte in zijn eigen trots.
Nu draagt hij wijsheid uit als ware ’t een gewicht,
een mantel van berouw die los om schouders hangt.

Hij rekt zijn slanke hals en noemt zijn sprong een keus,
zo stapt hij weer in kring van eigen dooling rond.
Het edele dier met hoef verliefd zich in zijn val,
en noemt de poel van fout zijn weg tot ware kracht.

wijzer geworden zegt men dat het vastzat uit verveling, 

zoals hij zich ook zo gemaakt voordoet. 

Noordwestenwind waait niet door de smidse en heg,

beweegt de bonte wilg wel een armlengte weg.









Marionet 3.


Waan hield me gevangen

zo vind je mijn eigen dapper, -de viefste, 

daar ik niet sterk genoeg ben liefste, 

hoe mijn tranen parelen over mijn wangen 


belangen in kruiken en kannen 

vaarwel vriendin, blijf voor mij, die naĆÆefste

als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan; blijf voor mij, -de leepste

ik ben als een engel zo diep gevallen


als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan

ga nu maar, ik zal je wel tegenhouden 

verachtend ben je mijn verdiende loon, het is zoals door de grond gaan 


Karma keert terug in zevenvouden, 

tot op mijn sterfdag is de profnar ontdaan,

ineens, liefsten, is ook die liefdesband over als aangetrouwde. 



Marionet 4.


Op het einde van het tweespraak

schrijft Fausto mij een kattebelletje zon voor

merk ik het medisch secretariaat

waar de tijd aan de grond bevroor. 

Nu weet hij dat ik houd van reizen, 

klap mijn paraplu open, wandel tot bij mijn auto

hij kan navertellen over mijn leefwijze 

bedenk ik, terwijl ik verkoeling vind in mijn airco. 

Kroongetuigen verzameld om de gewichten; ik zeg: ik had een alibi, 

hoe ik daar mee omga, zelden naar de reden

waarom intimi ook nood hadden aan meer privacy 

hoe ik mijn verleden wantrouw, angsten doorstond, leef in het heden. 

Met de eerste zonnestralen op mijn gelaat 

heb ik zicht op de heuvel waar het Akropolis staat. 












Marionet 5.


Jaloers word ik echt niet gauw

ik heb een jongen gekend 

zijn gevoelens voor mij in die tijd, lauw

beelden staan in mijn geheugen gegrift, geƫnt.

Hij droomde voor zijn verjaardag van een ballonvaart 

wens vervuld door zijn broer 

‘moderne ontsnapping’, beloofd een terreinkaart, 

veld Moselle, Elzas, –Lotharingen tour.

Waarschijnlijk reden ze er helemaal heen

naar een hoofdstad genaamd Metz

sinds ik het toch allemaal slechter meen

de jongen gebracht naar het land van z’s.

Ik heb de steek gevoeld tot in mijn milt, 

zonder weerzien, is het mijn hart wat van de kou rilt. 



Marionet 6.


Ben je –eenvoudig en herkenbaar plot, 

mijn Vertrouwenspersoon, vliedend onder de kap der wijsheid, 

bekijk je, knopen in touwen, lot,  

ofschoon je babbelt over nalatigheid. 

Nochtans jouw buiggespannen zusje, 

verhip, er is geluisterd naar wat je zegt 

het leven zelf verdraaid in een lusje 

terwijl je mij er volledig doorheen knecht. 

Verloor ik een veelheid aan vrienden

kwam langs de pandabeer

geen behoefte aan uitgekiende


sociale leer.

Of gevestigde waarde 

het is dus de panda die haar klus klaarde.



Rijmschema abab cdcd ef ef gg

Kathleen Neel Maenhout. 

Shakespeareaanse sonnetten bij benadering, een gedichtencyclus, 6 Marionetten. 

Brugge, 28 februari 2026. 

Lettertype: Times New Roman


dinsdag 3 maart 2026

Shakespeareae sonnet/2326

 Marionet I.

Gelet op de genenprints

en dat van de voorbijganger soevereign,

houvast vindend bovenwinds,

de lezer die boeken leent op mocassin.


Voor waarheid en moraliteit

in zalen die men ‘Vis’ noemt,

die man is dubbelgebeid,

voorlopig uitgezoomd.


De ramen hadden toen geen gordijnen,

ze wisten niet beter,


aan het raam had ik enkel jasmijnen

appartementenblokken voor Peter.


Eens aangekomen bij de kruishouten brug,

raakt mijn ruggengraat in touwen, recht ik mijn rug.


Marionet II.


Een frisse strakke noordwestenwind

waait door de smidse; de bonte wilg,

beweegt, hortensia briest purperrood gezind

het lijkt wel pruimenpaars of gewillig.


Ik word geboden een miljoen in geld,

voor het zelf maken relatiebreuk lied van het jaar.

t’Is gebeurd terwijl een schubreptiel vervelt,

het legitiem maken van ongevaar.


Het edele dier met hoef springt over de reling,

zijn poel van fouten tegemoet,


Het édele dier met hóef springt óverbóórd,

het lƔƔt de rƩling stƔƔn || en kƭest zijn Ʃigen wƩg.

Het zóekt de póel van fÔut || die éens zijn spíegel wÔs,

en dÔÔlt met ópen óog || in zélfgeschÔpen nÔt.

Men zégt dat vèrvelíng || hem lÔng gekérkerd híeld,

dat stĆ­lstand hĆ©m verkrĆ”mp || te Ć­n zijn Ć©igen tróts.Nu drƔƔgt hij wĆ­jsheid Ćŗit || als wĆ”re ’t Ć©en gewĆ­cht,

een mÔntel vÔn beróuw || die lós om schóuders hÔngt.

Hij rékt zijn slÔnke hÔls || en nóemt zijn spróng een kèus,

zo stÔpt hij wéér in kríng || van éigen dóoling rónd.

Het édele dier met hóef || verliéft zich ín zijn vÔln,

en nóemt de póel van fÔut || zijn wég tot wÔre krÔcht.


wijzer geworden zegt men dat het vastzat uit verveling,

zoals hij zich ook zo gemaakt voordoet.


Noordwestenwind waait niet door de smidse en heg,

beweegt de bonte wilg wel een armlengte weg.


Marionet III.


Waan hield me gevangen

zo vind je mijn eigen dapper, -de viefste,

daar ik niet sterk genoeg ben liefste,

hoe mijn tranen parelen over mijn wangen


belangen in kruiken en kannen

vaarwel vriendin, blijf voor mij, die naĆÆefste

als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan; blijf voor mij, -de leepste

ik ben als een engel zo diep gevallen


als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan

ga nu maar, ik zal je wel tegenhouden

verachtend ben je mijn verdiende loon, het is zoals door de grond gaan


Karma keert terug in zevenvouden,

tot op mijn sterfdag is de profnar ontdaan,

ineens, liefsten, is ook die liefdesband over als aangetrouwde.


Marionet IV.


Op het einde van het tweespraak,

schrijft Fausto mij een kattebelletje zon voor,

merk ik het medisch secretariaat,

waar de tijd aan de grond bevroor.


Nu weet hij dat ik houd van reizen,

buiten klapt mijn paraplu open, ik wandel een eindje tot bij mijn auto,

hij kan navertellen over mijn leefwijze,

bedenk ik, terwijl ik verkoeling vind in mijn airco.


Kroongetuigen verzameld om de gewichten; ik zeg: ik had een alibi,

hoe ik daar mee omga, zelden naar de reden,


waarom intimi ook nood hadden aan meer privacy,

hoe ik mijn verleden wantrouw, angsten doorstond, leef in het heden.


Met de eerste zonnestralen op mijn gelaat,

heb ik zicht op de heuvel waar het Akropolis staat.


Marionet V.


Jaloers word ik echt niet gauw,

ik heb een jongen gekend,

zijn gevoelens voor mij in die tijd, lauw,

beelden staan in mijn geheugen gegrift, geƫnt.


Hij droomde voor zijn verjaardag van een ballonvaart,

wens vervuld door zijn broer,

‘moderne ontsnapping’, beloofd een terreinkaart,

veld Moselle, Elzas, –Lotharingen tour.


Waarschijnlijk reden ze er helemaal heen,

naar een hoofdstad genaamd Metz,


sinds ik het toch allemaal slechter meen,

de jongen gebracht naar het land van z’s.


Ik heb de steek gevoeld tot in mijn milt,

zonder weerzien, is het mijn hart wat van de kou rilt.


Marionet VI.


Ben je– in eenvoudig en herkenbaar plot,

mijn Vertrouwenspersoon, vliedend onder de kap der wijsheid,

bekijk je, knopen in touwen, het eigen lot,

ofschoon je babbelt, over nalatigheid.


Nochtans, je verdedigt jouw buiggespannen zusje,

verhip, er wordt geluisterd naar wat je zegt

zoals het leven zelf, verdraaid in een lusje

terwijl je mij er volledig doorheen hebt knecht.


Verloor ik een veelheid aan vrienden,

kwam langs de pandabeer,


geen behoefte aan uitgekiende,

sociale leer.


Of gevestigde waarde,

het is dus de panda die de klus klaarde.


Rijmschema abab cdcd ef ef gg

Kathleen Neel Maenhout.

Shakespeareaanse sonnetten bij benadering, een gedichtencyclus, 6 Marionetten.

WOORD: Essay

WOORD: Essay :   Titel van het essay :De wereld is in beweging, en niet altijd ten goede. Kan een bewindvoerder ons redden? Kijk, het is me...