woensdag 4 maart 2026

4326

Marionet 1.

Gelet op de genenprints

en dat van de voorbijganger soevereign,

houvast vindend bovenwinds,

de lezer die boeken leent op mocassin.

Voor waarheid en moraliteit

in zalen die men ‘Vis’ noemt,

die man is dubbelgebeid, 

voorlopig uitgezoomd.

De ramen hadden toen geen gordijnen, 

ze wisten niet beter, 

aan het raam had ik enkel jasmijnen 

appartementenblokken voor Peter. 

Eens aangekomen bij de kruishouten brug,

raakt mijn ruggengraat in touwen, recht ik mijn rug.  


Marionet 2.


Een frisse strakke noordwestenwind

waait door de smidse; de bonte wilg, 

beweegt, hortensia briest purperrood gezind 

het lijkt wel pruimenpaars of gewillig.

Ik word geboden een miljoen in geld, 

voor het zelf maken relatiebreuk lied van het jaar. 

tIs gebeurd terwijl een schubreptiel vervelt,

het legitiem maken van ongevaar.

Het edele dier met hoef springt over de reling, 

zijn poel van fouten tegemoet, 

Het edele dier met hoef springt overboord,
het laat de reling staan en kiest zijn eigen weg.
Het zoekt de poel van faut die eens zijn spiegel was,
en daalt met open oog in zelfgeschapen nat.

Men zegt dat verveling hem lang gekerkerd hield,
dat stilstand hem verkrampte in zijn eigen trots.
Nu draagt hij wijsheid uit als ware t een gewicht,
een mantel van berouw die los om schouders hangt.

Hij rekt zijn slanke hals en noemt zijn sprong een keus,
zo stapt hij weer in kring van eigen dooling rond.
Het edele dier met hoef verlieft zich in zijn valn,
en noemt de poel van faut zijn weg tot ware kracht.

wijzer geworden zegt men dat het vastzat uit verveling, 

zoals hij zich ook zo gemaakt voordoet. 

Noordwestenwind waait niet door de smidse en heg,

beweegt de bonte wilg wel een armlengte weg.









Marionet 3.


Waan hield me gevangen

zo vind je mijn eigen dapper, -de viefste, 

daar ik niet sterk genoeg ben liefste, 

hoe mijn tranen parelen over mijn wangen 


belangen in kruiken en kannen 

vaarwel vriendin, blijf voor mij, die naïefste

als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan; blijf voor mij, -de leepste

ik ben als een engel zo diep gevallen


als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan

ga nu maar, ik zal je wel tegenhouden 

verachtend ben je mijn verdiende loon, het is zoals door de grond gaan 


Karma keert terug in zevenvouden, 

tot op mijn sterfdag is de profnar ontdaan,

ineens, liefsten, is ook die liefdesband over als aangetrouwde. 



Marionet 4.


Op het einde van het tweespraak

schrijft Fausto mij een kattebelletje zon voor

merk ik het medisch secretariaat

waar de tijd aan de grond bevroor. 

Nu weet hij dat ik houd van reizen, 

klap mijn paraplu open, wandel ik tot bij mijn auto

hij kan navertellen over mijn leefwijze 

bedenk ik, terwijl ik verkoeling vind in mijn airco. 

Kroongetuigen verzameld om de gewichten; ik zeg: ik had een alibi, 

hoe ik daar mee omga, zelden naar de reden

waarom intimi ook nood hadden aan meer privacy 

hoe ik mijn verleden wantrouw, angsten doorstond, leef in het heden. 

Met de eerste zonnestralen op mijn gelaat 

heb ik zicht op de heuvel waar het Akropolis staat. 












Marionet 5.


Jaloers word ik echt niet gauw

ik heb een jongen gekend 

zijn gevoelens voor mij in die tijd, lauw

beelden staan in mijn geheugen gegrift, geënt.

Hij droomde voor zijn verjaardag van een ballonvaart 

wens vervuld door zijn broer 

‘moderne ontsnapping’, beloofd een terreinkaart, 

veld Moselle, Elzas, –Lotharingen tour.

Waarschijnlijk reden ze er helemaal heen

naar een hoofdstad genaamd Metz

sinds ik het toch allemaal slechter meen

de jongen gebracht naar het land van zs.

Ik heb de steek gevoeld tot in mijn milt, 

zonder weerzien, is het mijn hart wat van de kou rilt. 



Marionet 6.


Ben je –eenvoudig en herkenbaar plot, 

mijn Vertrouwenspersoon, vliedend onder de kap der wijsheid, 

bekijk je, knopen in touwen, lot,  

ofschoon je babbelt over nalatigheid. 

Nochtans jouw buiggespannen zusje, 

verhip, er is geluisterd naar wat je zegt 

het leven zelf verdraaid in een lusje 

terwijl je mij er volledig doorheen hebt knecht. 

Verloor ik een veelheid aan vrienden

kwam langs de pandabeer

geen behoefte aan uitgekiende


sociale leer.

Of gevestigde waarde 

het is dus de panda die haar klus klaarde.



Rijmschema abab cdcd ef ef gg

Kathleen Neel Maenhout. 

Shakespeareaanse sonnetten bij benadering, een gedichtencyclus, 6 Marionetten. 

Brugge, 28 februari 2026. 

Lettertype: Times New Roman


dinsdag 3 maart 2026

Shakespeareae sonnet/2326

 Marionet I.

Gelet op de genenprints

en dat van de voorbijganger soevereign,

houvast vindend bovenwinds,

de lezer die boeken leent op mocassin.


Voor waarheid en moraliteit

in zalen die men ‘Vis’ noemt,

die man is dubbelgebeid,

voorlopig uitgezoomd.


De ramen hadden toen geen gordijnen,

ze wisten niet beter,


aan het raam had ik enkel jasmijnen

appartementenblokken voor Peter.


Eens aangekomen bij de kruishouten brug,

raakt mijn ruggengraat in touwen, recht ik mijn rug.


Marionet II.


Een frisse strakke noordwestenwind

waait door de smidse; de bonte wilg,

beweegt, hortensia briest purperrood gezind

het lijkt wel pruimenpaars of gewillig.


Ik word geboden een miljoen in geld,

voor het zelf maken relatiebreuk lied van het jaar.

t’Is gebeurd terwijl een schubreptiel vervelt,

het legitiem maken van ongevaar.


Het edele dier met hoef springt over de reling,

zijn poel van fouten tegemoet,


Het édele dier met hóef springt óverbóórd,

het láát de réling stáán || en kíest zijn éigen wég.

Het zóekt de póel van fáut || die éens zijn spíegel wás,

en dáált met ópen óog || in zélfgeschápen nát.

Men zégt dat vèrvelíng || hem láng gekérkerd híeld,

dat stílstand hém verkrámp || te ín zijn éigen tróts.Nu dráágt hij wíjsheid úit || als wáre ’t éen gewícht,

een mántel ván beróuw || die lós om schóuders hángt.

Hij rékt zijn slánke háls || en nóemt zijn spróng een kèus,

zo stápt hij wéér in kríng || van éigen dóoling rónd.

Het édele dier met hóef || verliéft zich ín zijn váln,

en nóemt de póel van fáut || zijn wég tot wáre krácht.


wijzer geworden zegt men dat het vastzat uit verveling,

zoals hij zich ook zo gemaakt voordoet.


Noordwestenwind waait niet door de smidse en heg,

beweegt de bonte wilg wel een armlengte weg.


Marionet III.


Waan hield me gevangen

zo vind je mijn eigen dapper, -de viefste,

daar ik niet sterk genoeg ben liefste,

hoe mijn tranen parelen over mijn wangen


belangen in kruiken en kannen

vaarwel vriendin, blijf voor mij, die naïefste

als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan; blijf voor mij, -de leepste

ik ben als een engel zo diep gevallen


als ik in brand sta zul jij ook uit as bestaan

ga nu maar, ik zal je wel tegenhouden

verachtend ben je mijn verdiende loon, het is zoals door de grond gaan


Karma keert terug in zevenvouden,

tot op mijn sterfdag is de profnar ontdaan,

ineens, liefsten, is ook die liefdesband over als aangetrouwde.


Marionet IV.


Op het einde van het tweespraak,

schrijft Fausto mij een kattebelletje zon voor,

merk ik het medisch secretariaat,

waar de tijd aan de grond bevroor.


Nu weet hij dat ik houd van reizen,

buiten klapt mijn paraplu open, ik wandel een eindje tot bij mijn auto,

hij kan navertellen over mijn leefwijze,

bedenk ik, terwijl ik verkoeling vind in mijn airco.


Kroongetuigen verzameld om de gewichten; ik zeg: ik had een alibi,

hoe ik daar mee omga, zelden naar de reden,


waarom intimi ook nood hadden aan meer privacy,

hoe ik mijn verleden wantrouw, angsten doorstond, leef in het heden.


Met de eerste zonnestralen op mijn gelaat,

heb ik zicht op de heuvel waar het Akropolis staat.


Marionet V.


Jaloers word ik echt niet gauw,

ik heb een jongen gekend,

zijn gevoelens voor mij in die tijd, lauw,

beelden staan in mijn geheugen gegrift, geënt.


Hij droomde voor zijn verjaardag van een ballonvaart,

wens vervuld door zijn broer,

‘moderne ontsnapping’, beloofd een terreinkaart,

veld Moselle, Elzas, –Lotharingen tour.


Waarschijnlijk reden ze er helemaal heen,

naar een hoofdstad genaamd Metz,


sinds ik het toch allemaal slechter meen,

de jongen gebracht naar het land van z’s.


Ik heb de steek gevoeld tot in mijn milt,

zonder weerzien, is het mijn hart wat van de kou rilt.


Marionet VI.


Ben je– in eenvoudig en herkenbaar plot,

mijn Vertrouwenspersoon, vliedend onder de kap der wijsheid,

bekijk je, knopen in touwen, het eigen lot,

ofschoon je babbelt, over nalatigheid.


Nochtans, je verdedigt jouw buiggespannen zusje,

verhip, er wordt geluisterd naar wat je zegt

zoals het leven zelf, verdraaid in een lusje

terwijl je mij er volledig doorheen hebt knecht.


Verloor ik een veelheid aan vrienden,

kwam langs de pandabeer,


geen behoefte aan uitgekiende,

sociale leer.


Of gevestigde waarde,

het is dus de panda die de klus klaarde.


Rijmschema abab cdcd ef ef gg

Kathleen Neel Maenhout.

Shakespeareaanse sonnetten bij benadering, een gedichtencyclus, 6 Marionetten.

4326

Marionet 1. Gelet op de genenprints en dat van de voorbijganger soevereign, houvast vindend bovenwinds, de lezer die boeken leent op moc...